“De wiegen der beschaving zijn de verpestende riolen van de wereld, het knekelhuis waarin de stinkende baarmoeders hun bloederige pakjes vlees en been toevertrouwen.”
“In niets onderscheidden ze zich van de heikneuters waar ze later hun voeten op zouden vegen. Het waren nullen in elke betekenis van het woord, nullen die de kern vormen van een fatsoenlijk en jammerlijk burgerdom. Ze sliepen best en klaagde nooit; ze waren niet vrolijk en niet ongelukkig. De onverschilligen die Dante naar het voorportaal van de Hel heeft verwezen. De lui van de bovenlaag.”
“Naast dit mensenras bestaat nog een ras van wezens, de onmenselijken, het ras der kunstenaars die, door onbekende impulsen geprikkeld, de levenloze massa van de mensen nemen en door de koortshitte en gisting die zij daarin verwekken dit kleffe deeg in brood veranderen en het brood in wijn en de wijn in zang. Uit dit dode compost en de inerte sintels brengen zij een lied voort dat besmet.”
“Zo iemand doet niet aan bommen gooien, aan opstanden; hij wil niet meer reageren, niet uit traagheid en niet uit wreedheid. Van alle mensen ter wereld wenst deze persoon dat de daad een manifestatie van het leven is. En zo hij, om deze verschrikkelijke behoefte te kunnen verwerkelijken, niet vooruit maar achteruit werkt, zo hij onmaatschappelijk wordt, begint te stammelen en te stotteren, zo volkomen onaangepast blijkt te zijn dat hij zijn boterham niet kan verdienen, dan kan men ervan op aan dat deze man de weg heeft gevonden die hem weer in de schoot en de bron van het leven terugvoert.”
“Mijn vrienden daarentegen verschansten zich nog steviger in de kleine loopgraaf van het begrijpen, een loopgraaf die ze voor zichzelf gegraven hadden. Ze stierven heel comfortabel in hun bedje van begrijpen, werden nuttige leden van de maatschappij. Ik had medelijden met hen, en al heel gauw liet ik ze, zonder de minste spijt, één voor één in de steek.”
“Eens heb ik gemeend dat menselijk zijn het hoogste doel was dat een mens kon nastreven, maar nu zie ik in dat dit bedoeld was om me vernietigen. Nu ga ik er trots op te zeggen dat ik onmenselijk ben, dat ik niet tot mensen en regeringen behoor, dat ik niets met geloofsbelijdenissen en principes te maken heb. Ik heb niets uitstaande met de krakende machine der mensheid - ik behoor tot de aarde!”
“Aquellos dos hablaban de especie de jerga matemática superior. Nunca entraba en ella nada de carne y hueso: era extraña, fantasmal, espantosamente abstracta. ”